Onderzoeken Olde Maten en Veerslootslanden

Tijdens de jaarvergadering van ANV Horst en Maten op 14 april jl. hebben Michiel Linskens en Annette Oling van Provincie Overijssel een inleiding gehouden over respectievelijk het Gezamenlijk Feitenonderzoek (GFO) en het Onderzoek naar water- en bodemcondities N2000 Oldematen Veerslootslanden. Een uitgebreid verslag vindt u in dit artikel. Onderaan het artikel vindt u links naar de beide onderzoeksrapporten en naar de gehouden presentaties van beide inleiders.

A. Gezamenlijk Feitenonderzoek (GFO) door Michiel Linskens

Het GFO vloeit voor uit het Coalitieakkoord van GS van Provincie Overijssel (Schouder aan schouder 2023-2027). Daarin staat o.a. dat de kennis en ervaring van de inwoners, ondernemers en organisaties nodig is voor goede oplossingen. De overheid moet meer tussen haar inwoners staan en hun perspectief centraal stellen. Feiten gelden als basis voor maatregelen. De provincie hecht waarde aan ieders inbreng. Linskens geeft aan graag in gesprek te willen.

Verzamelen en delen van kennis gaat altijd op basis van kansen en opgaven in het gebied/bij de projecten. Doel van het GFO is een gezamenlijk kennisbeeld, dat het vertrekpunt vormt voor verdere stappen. Bestaande informatie wordt daarvoor beschikbaar gemaakt, kennis en feiten uit het gebied worden opgehaald, en samen wordt de gewenste informatie verzameld. Bestaande informatie is afkomstig uit onderzoek, monitoring en analyses en uit landelijke/provinciale bronnen. De provincie beschikt over heel veel data, waaruit alle mogelijke selecties te maken zijn die voor het gebied relevant zijn. Aanvullende informatie (kennis, feiten) komt uit het gebied.

In het gebied Staphorsterveld lopen de volgende projecten:
1. Onderzoek Water- en bodemcondities Olde Maten & Veerslootslanden
2. Herziening beheerplan N2000-gebied Olde Maten & Veerslootslanden.
3. Koploperproject Buut’n gebied Rouveen
4. Koploperproject Veldiger Binnenlanden
Naast deze projecten is er een aantal pilotprojecten in het gebied. Hier zit veel kennis en energie. De provincie bekijkt hoe deze pilotprojecten meegenomen kunnen worden in het gezamenlijk feitenonderzoek.

Er zijn diverse partijen betrokken: Waterschap DOD, LTO Noord, ANV Horst en Maten, OAJK, DGC Staphorsterveld, Gemeente Zwartewaterland, Gemeente Staphorst, Provincie Overijssel en Staatsbosbeheer.

Linskens geeft aan dat er altijd mensen zullen zijn die het niet eens zijn met maatregelen (‘Agree to disagree’). Zijn opdracht als projectleider GFO is ervoor te zorgen dat bestaande informatie over het gebied beschikbaar en toegankelijk is. Daarnaast kijkt hij naar de verschillende mogelijkheden om informatie uit het gebeid te halen. Dat kan via keukentafelgesprekken, informatiebijeenkomsten maar ook via een digitaal platform.
De snelheid van het gezamenlijk feitenonderzoek wordt bepaald door wat er concreet speelt in het gebied. “We willen zoveel mogelijk aansluiten bij wat er speelt in het gebied, het GFO is daarbij een hulpmiddel”. Voorbeeld: de herziening van het beheerplan N2000-gebied Olde Maten & Veerslootslanden had al 6 maanden geleden moeten beginnen, maar gaat nu mei/juni 2025 van start. Door deel te nemen aan een begeleidingscommissie krijgt elke partij de kans om daar hun informatie en visie in te brengen. “Met alles wat wordt ingebracht, zullen we aangeven hoe we dat verwerken in het proces. We zullen goed luisteren naar de inbreng van alle partijen”, aldus Linskens.

Uit de zaal wordt gevraagd wie het beheerplan vaststelt. Een concept wordt voorgelegd aan een bestuurlijke groep, die advies uitbrengt aan GS. Het beheerplan wordt vastgesteld door GS.
Gevraagd wordt of al het geld dat besteed wordt aan onderzoek door diverse onderzoeksbureaus niet besteed kan worden aan het beheer van het gebied, nu daarvoor het budget zo krap is. Antwoord: onderzoek is noodzakelijk om goede keuzen te kunnen maken. Ook daar is budget voor nodig. Opgemerkt wordt dat het beheerplan voor het Natura 2000-gebied gericht is op het behoud/herstel van de habitattypen via verschillende maatregelen. Daarnaast vindt in het Natura 2000-gebied ook regulier beheer plaats, dat wordt bekostigd via het Subsidiestelstel Natuur en Landschap (SNL).

Als voorbeeld voor het gezamenlijk feitenonderzoek wordt het Koploperproject Buut’n Gebied Rouveen genoemd. Er is een kleine werkgroep met boeren uit het gebied (o.a. Jan Dunnink) en een procesbegeleider (Angela Pigge) die voor het gebied met 50 boeren is gestart met het ophalen van de opgaven via keukentafelgesprekken De werkgroep bespreekt de opgaven met de boeren in het gebied, deelt bestaande kennis en haalt kennis op uit het gebied. Het is gestart in zomer 2024, en de resultaten worden verwacht in de loop van 2025.

Het tweede voorbeeld uit de praktijk betreft het hydrologisch onderzoek in en rondom de Olde Maten. De bestaande info wordt verzameld door een begeleidingsgroep met onderzoekers water en natuur (van de provincie, het waterschap en SBB). Er zijn twee rapporten opgesteld, waarbij de informatie uit het gebied wordt herkenbaar verwerkt. Om de informatie uit het gebied op te halen is een informatieve brochure gemaakt, zijn er gesprekken geweest met pachters, vrijwilliger en peilbeheerders, is er een 2e brochure gemaakt met resultaten (toetswaarden habitattypen) en is er een presentatie geweest van de resultaten, mét een link naar de rapporten (op 26 maart 2025 in de Veldschuur). De ervaring van de deelnemers hieraan waren positief. Zij vonden het prettig om gevraagd te worden, de info is goed te volgen, de conclusies grotendeels herkenbaar, fijn op gehoord te worden. De ervaring van de ambtenaren zijn dat persoonlijke gesprekken waardevol zijn, dat dit beter inzicht oplevert in belangen bij complexe onderwerpen, dat het prettig is om direct vragen te kunnen beantwoorden, en dat er soms te snel conclusies worden getrokken op basis van waarnemingen. Om inzicht te geven in het proces presenteerde Linskens drie getallen: 90 (mensen aangeschreven via mail), 8 (personen gesproken/geïnterviewd) en 3 (deelnemers die aanwezig waren bij de presentatie op 26 maart). Uit de zaal word ingebracht dat dit niet het hele verhaal is, omdat degenen die zijn betrokken via de koploperprojecten niet zijn meegerekend.

Linskens vraagt naar de reactie op de aanpak, wat de aanwezigen vinden van een gedragenkennisbeeld, of zijn tips of suggesties hebben, en hoe zijn betrokken willen worden, bijvoorbeeld met een persoonlijk gesprek, een bijeenkomst in het gebied of via een toegankelijk digitaal platform kennis zouden willen delen.

Uit de zaal wordt als voorbeeld genoemd dat bij de herinrichting door boeren gewaarschuwd is voor verdroging van het gebied als alleen uit de Hoogeveensche vaart water ingelaten zou mogen worden en niet uit het landbouwgebied. Wat is hiervan het effect geweest?

Een andere verklaring uit de zaal voor het gebrek aan belangstelling voor het leveren van inbreng is dat ‘als je niets brengt, je ook niets terugkrijgt’. Sommigen gaven aan niet te hebben geweten dat er informatie werd gevraagd (de oproep is wel geplaatst in de nieuwsbrief). Ook belangrijke opmerking: als boeren niet reageren op oproep om kennis in te brengen, hoe kun je ervoor zorgen dat meer boeren toch een inbreng leveren? Is de provincie niet verplicht om daar dan toch meer moeite voor te doen en een aanpak te kiezen die beter werkt? Linskens: “Met het gezamenlijk feitenonderzoek kijken we naar manieren om zoveel mogelijk boeren en inwoners de kans te geven hun informatie aan te leveren. We willen daarvoor ook de gemeente benaderen om via hun kanalen een oproep te doen”.

Uit de zaal wordt door een lid dat wél inbreng leverde benoemd dat hij blij was zijn zegje eindelijk een keer kwijt gekund te hebben, en dat hij het jammer vindt dat er zo weinig mensen dat hebben gedaan. Een ander lid dat ook was ingegaan op de uitnodiging riep de aanwezigen op om de kans om kennis in te brengen te gebruiken.

 

B. Onderzoek naar water- en bodemcondities N2000 Oldematen Veerslootslanden door Annet Oling

Annet Oling hield haar inleiding over de Onderzoeksconclusies water- en bodemcondities voor drie habitattypen in het Natura 2000-gebied Oldematen en Veerslootslanden. Ze deelde informatie, conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek en ging in op het vervolg.
Het natuurgebied Oldematen en Veerslootslanden is een veengebied met belangrijke natuur- en landschapswaarden. De focus van het onderzoek ligt op de 2 deelgebieden met actueel veenmosrietland en blauwgrasland, en hoe het systeem daar werkt. Daarnaast zijn er andere waarden in het gebied aanwezig zoals weidevogels en vissen.

Onderzoeksvragen zijn of de condities van water en bodem op orde zijn voor de habitattypen in deelgebied Veerslootslanden (blauwgrasland en heischraal
grasland) en deelgebied Oldematen (veenmosrietland). Als de condities niet op orde zijn is de vraag: hoe kunnen we die verbeteren?
Uitvoering van het onderzoek: informatie uit interviews met pachters, vrijwilligers en de peilbeheerder; gebruik van eerdere rapporten en meetreeksen; nieuwe metingen; 2 bureaus (Bell-Hullenaar en B-ware) hebben alles verwerkt; begeleiding door Provincie, Staatsbosbeheer en Waterschap; bespreking resultaten met geïnterviewden (dat was op 26 maart jl.).
Annet Oling liet aan de hand van kaarten zien wat de locaties zijn van meetreeksen van waterschap en provincie, en ook van de meetlocaties die er in 2024 bij zijn gekomen.

1. Het oude blauwgraslandreservaat in de Veerslootslanden. Eisen: Grondwaterstand voldoende hoog, voldoende calcium en niet te veel voedingsstoffen zoals fosfaat

Situatie: De locaties voldoen deels aan de voorjaarsgrondwaterstand; voldoet nergens aan de eisen van de zomergrondwaterstand (te droog); de bodem heeft genoeg calcium, voldoet aan de eisen (via oppompen en bevloeien met slootwater); De vegetatie is nu vrijwel gelijk aan de situatie in 2018, trend sinds 2013 volgt later; Ligt hoog t.o.v. de omgeving doordat de bodem minder gedaald is.

Aanbevelingen voor oude blauwgrasland zijn: Bijhouden via metingen of de fosfaattoestand in het blauwgrasland verslechtert; Kan de periode van bevloeien nog geoptimaliseerd worden, meer basen; Kwaliteit water waarmee bevloeid wordt, meten (bijhouden).

2. De jongere blauwgraslanden van de Veerslootslanden: Eisen: Grondwaterstand voldoende hoog, voldoende calcium en niet te veel voedingsstoffen zoals fosfaat
Situatie: Percelen ingericht 2014: Voldoende calcium in de bodem (percelen hebben 3x in de winter blank gestaan staan, in de zomer is er lichte kwel tot in de toplaag vanuit het grondwater (bevat calcium)); blauwgrasland is ontwikkeld (is in ontwikkeling) (goed perspectief voor doorontwikkeling naar blauwgrasland van goede kwaliteit, 1 locatie is al ontwikkeld naar een blauwgrasland/schraalgrasland van goede kwaliteit); Laagste grondwaterstand : liever nog iets hoger; De voorjaarsgrondwaterstand voldoet.

Waterkwaliteit Veerslootslanden: Doel: ontwikkeling blauwgrasland, weinig voedingsstoffen in het slootwater, aanvoer basen. Gemeten: Bij de 2 inlaatpunten, aan oostzijde en de zuidzijde: Beiden basisch(niet zuur), arm aan nitraat en sulfaat, fosfaat aan de hoge kant, maar kan aan ijzer gebonden worden, geschikt genoeg om in te laten, fosfaatgehalte inmiddels 0,06 mg/l in de zomer, Binnen het gebied: fosfaat is gedaald van 0,15 naar 0,08 mg/l; voldoende basen.

Aanbevelingen deelgebied Veerslootslanden ingericht in 2014: regelmatig (+ onder begeleiding van metingen en analyses) enkele weken blank zetten met water uit de sloten in vroege voorjaar; In de zomer: tijdig water inlaten, wegzakken grondwaterstand verminderen (waterschap); Afvoer van (zuur) neerslagwater moet goed mogelijk zijn (duikers, opschonen sloten); Extern: Inlaatwater is al vrij goed (kwaliteit blijven volgen); –
Ideaal zou herstel van de kwel zijn, veel kwel bereikt de percelen niet meer

3. Veenmosrietland Oldematen: Eisen: Grondwaterstand max 20 cm onder maaiveld, waterkwaliteit niet te voedselrijk en niet te zuur. Situatie: Voldoen deels wel en deels niet (te droog) aan de voorjaarsgrondwaterstand; Vrij zure situatie, minder zuur is beter; voedingsstoffen in de bovenlaag: iets te veel; Vegetatieontwikkeling: is niet goed, waarschijnlijk door een combinatie van natuurlijke successie en afname grondwaterinvloed; Zomergrondwaterstanden: te laag in de droge zomers (peilbeheer ‘s zomers: pas dichtbij laagste peil (bij -1,1 NAP) wordt water ingelaten uit de Stadswijk). Bij drijvende kragges (deel van de onderzochte locaties) voldoen de grondwaterstanden in de zomer. Veenmosrietlanden verouderen, ook aandacht voor nieuwe. Waarom moet dat? Vanuit de wetgeving moeten we zorgen dat er voldoende veenmosrietland blijft, om dit type vegetatie ook in de toekomst te behouden.

Waterkwaliteit Oldematen. Gemeten: Natte as: Negatief: hoeveelheid basen is gedaald
Positief: minder voedingsstoffen in 10 jaar, maar: fosfaatgehalte nog vrij hoog
Bij boksloten: Hele wisselende hoeveelheden voedingsstoffen, fosfaat vaak nog boven de 0,09 mg/l; Inlaat Stadswijkwater, landbouwkant: basenrijk en fosfaatgehalte in de zomer inmiddels gemiddeld 0,08 mg/l (was 0,13 mg/l gemiddeld) dus: kwaliteit Stadswijk is een stuk verbeterd.

Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat opvallend is dat het fosfaatgehalte van het inlaatwater uit het landbouwgebied (0,08 mg/l) lager is dan dat van het water in het gebied (0,09 mg/l). Annet Oling heeft daar geen duidelijke verklaring voor, noemt dat in het natuurgebied door veenoxidatie mogelijk fosfaat vrijkomt. Daarnaast wordt ook in het natuurgebied nog bemest. Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat dit aantoont dat landbouw het nog zo slecht niet doet, terwijl doorgaans meteen naar boeren wordt gewezen als oorzaak van slechte waterkwaliteit. DE waterkwaliteit lijkt volgens leden daardoor geen beletsel te zijn om water uit het landbouwgebied in te laten uit de Stadswijk, om verdroging te voorkomen, in plaats van water uit de Hoogeveensche vaart, integendeel zelfs, de waterkwaliteit kan er alleen maar door verbeteren.

Oldematen adviezen: ’s Zomers eerder water inlaten: vanaf -1,0 NAP of nog eerder; Open boksloten bij de habitattypen : voldoende boksloten open vanaf natte as naar habitattypen? Oppakken openmaken aantal boksloten uit beheerplan N2000? (M10); Toekomstige optimalisatie peilen omgeving N2000 gebied – peil natuurgebied onderzoeken: natuurdoel, verminderen bodemdaling en verminderen CO2 uitstoot veen, grondwatermodellering nodig om varianten door te rekenen; Nader aangeduid als onderzoeken wat de peilen in de toekomst zouden kunnen in het landbouwgebied, waarbij minder CO2 wordt uitgestoten en er nog landbouw mogelijk is en wat goed is voor het natuurgebied, welke peilen zijn mogelijk. Waterkwaliteit blijven meten binnen N2000-gebied nabij de habitattypen en de kwaliteit die wordt ingelaten.
Bemesting binnen het gebied met doel voor habitattypen: spoort met doelstelling?

Oppakken adviezen: SBB, pachters, provincie en waterschap
Provincie: Herziening beheerplan N 2000: 23 juni 2025 informatiebijeenkomst. Dan kunnen ook vragen gesteld worden over de onderzoeksuitkomsten.
Vragen/opmerkingen?

Links:

naar de beide onderzoeksrapporten:
Bodem- en hydrochemisch onderzoek Olde Maten en Veerslootslanden, B-ware 2025
Ecohydrologische systeembeschrijving en evaluatie Olde Maten – Veerslootslanden , Bureau Bell Hulenaar, 2025

naar de presentaties:

Gezamenlijk Feitenonderzoek Natuurherstel – Michiel Linskens – 14 april 2025

Gezamenlijk Feitenonderzoek – Michiel Linskens – 14 april 2025

Oldematen Veerslootslanden conclusies onderzoek water en bodem voor ANV Horst en Maten – Annette Oling – 14-4-2025

Onderzoek water en bodem Oldematen Veerslootslanden conclusies 26-3-2025 – Annette Oling – 14-4-2025